UITGELEZEN

Ian Buruma
Dood van een gezonde roker

Ian Buruma werd in 1951 in Nederland geboren en vertrok in 1975. In 2003 werd hij Luce Professor of Democracy, Human Rights & Journalism aan het Bard College in New York. Sinds 2005 woont hij daar ook.
Na de moord op Theo van Gogh verbleef hij weer een tijdje in Nederland:
‘Er was iets ontwricht in Nederland in die winter van 2004, en dat wilde ik beter begrijpen. Hysterie is immers wel het allerlaatste dat mensen associëren met een land dat doorgaans door gemakzuchtige buitenlandse verslaggevers als ‘flegmatisch’ betiteld wordt.’
‘Dood van een gezonde roker’ (een verwijzing naar de naam van de website van van Gogh) is het verslag van die zoektocht naar het begrijpen van de moord op Theo van Gogh en de hysterie die eromheen ontstond. En van het land waarin dat plaatsvond.
Hij sprak met een behoorlijk aantal mensen die te maken gehad hebben met Theo van Gogh of die, bijvoorbeeld als politicus of columnist, deel uitmaakten ván of commentaar leverden óp de ontwikkelingen. Daarnaast schrijft hij uitgebreid over Pim Fortuyn, Hirsi Ali, Mohammed Bouyeri en uiteraard Theo van Gogh.
De mensen die aan het woord komen zijn onder andere Afshan Ellian, Hirsi Ali, Max Pam, Frits Bolkestein, de ouders van van Gogh, Theodor Holman, Gijs van de Westelaken, Paul Scheffer, Geert Mak, Ahmed Aboutaleb en een aantal mensen van Turks-Nederlandse en Marokkaans-Nederlandse afkomst.

Buruma schrijft met een bepaalde afstand over wat er vóór en ná de moord op Theo van Gogh gebeurd is, dat wil zeggen: hij gaat niet mee in de anti-islamhysterie die Nederland in zijn greep had en nu nog heeft. Hij ziet zichzelf als radicaal gematigd. In veler ogen nagenoeg een doodzonde nu het o zo tolerante Nederland overspoeld dreigt te worden door bloeddorstige moslims.
Een groot deel van de mensen die hij gesproken heeft ziet zichzelf als vaandeldrager van de Verlichting, navolger van Voltaire: alles staat ter discussie en moet zonodig fel aangevallen worden. Dat hun eigen grondslagen niet ter discussie staan deert hen niet. Evenmin dat er een groot verschil is tussen het antiklerikalisme van Voltaire, die zich verzette tegen een van de twee machtigste instituties in het 18e eeuwse Frankrijk, en de huidige radicale secularisten die te hoop lopen tegen een minderheid binnen een minderheid die toch al onder vuur ligt.
Buruma probeert een verklaring te vinden voor de harde toon in het ‘debat’. Deels ligt die in het feit dat het vertrouwde beeld van het tolerante Nederland, en breder de consensus over de Nederlandse identiteit (wat die ook geweest mag zijn) onderuit gehaald wordt door alleen al het aanwezig zijn van mensen uit gebieden waar men niet direct ‘onze’ normen en waarden deelt.
Als reactie daarop wordt er overigens niet alleen gekozen voor een harde confrontatiepolitiek, maar worden de iconen van het politieke bedrijf, zoals Fortuyn, of anderen aan de zijlijn daarvan, zoals Lady Di, verheven tot seculiere goden. Bij hun dood kan men wegzwijmelen alsof het om naaste verwanten of partners ging. Maar ook ontzettend kwaad worden op degenen die dit seculiere geloof niet wensen te delen.
Een specifiek Nederlandse achtergrond van de harde toon ziet Buruma in het protestantse piëtisme, waarbij biechten in het openbaar gedaan moet worden, discretie betekende dat men de waarheid achterhield en tact een teken van oneerlijkheid was. Agressiviteit als teken van oprechtheid en het ventileren van woede als bewijs van morele eerlijkheid.
Buruma: ‘In een gemeenschap met strikte grenzen, waar iedereen de regels van het spel kent, wordt de destructieve kracht van zo’n houding gedempt. Maar als ook anderen erbij betrokken raken, met een minder speelse opvatting van de taal kan het effect verwoestend zijn.’
En dat was het in het geval van Mohammed Bouyeri zeker. ‘Submission’, de film gemaakt door van Gogh in samenwerking met Hirsi Ali was de druppel.

Wat dreef B. tot zijn daad? In ieder geval niet in eerste instantie de islam. Hij was van oorsprong niet sterk islamitisch, dronk alcohol en blowde. Pas na enkele gebeurtenissen, zoals teleurstelling over het niet krijgen van subsidie voor een eigen jongerencentrum en ook de dood van zijn moeder, werd hij gegrepen door de Waarheid van de islam. Die hem in extreem puristische vorm werd aangereikt door Abu Khaled, bijgenaamd de Sheik. Deze vorm, de zogeheten taqfir, houdt in dat moslims die afwijken van het ware geloof en niet leven in overeenstemming met de wet van Allah, als ongelovigen beschouwd worden en door de ware gelovigen gedood dienen te worden. De islam, in een zeer gewelddadige, extreme vorm, was B’s nieuwe identiteit, onaantastbaar, veilig, een behaaglijk schild dat hem afschermde tegen alle vijandige krachten om hem heen.

Op 23 januari van dit jaar kreeg Buruma de Erasmusprijs 2008, vanwege zijn kosmopolitisme.
Op de vraag wat hem de voorbije jaren al schrijvend het meest getroffen heeft is zijn antwoord: ‘….de verscheidenheid onder Europese en dus ook Nederlandse moslims. De talrijke meningen, houdingen. Je ziet sociaal-democraten in een niqaab. Of moslims in spijkerbroek, religieus vrijzinnig, maar politiek conservatief. Een van mijn belangrijkste conclusies is dus precies het tegenovergestelde van wat Wilders beweert: er bestaat geen monolithische islamitische cultuur in Europa.’

En we zijn al weer een tijd verder: in februari 2008 verscheen het rapport van de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie. Conclusie: Nederland is de afgelopen jaren (sinds 2001 – PdM) racistischer en xenofober geworden. Turkse en Marokkaanse moslims zijn in toenemende mate slachtoffer van islamofobie. De toon van het politieke en publieke debat over integratie is dramatisch verslechterd.
Deze maand stelde Wouter Bos dat er meer gepolariseerd moest worden. Niet uitgaan van de consensus, maar door harde confrontatie uitkomen op die consensus. Concrete aanleiding: Marokkaanse buurtconciërges in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart weigeren vrouwen een hand te geven. Wel tonen ze hun respect door een buiging te maken met de hand op het hart. Maar ja, zo zijn niet ónze normen en waarden. En ze moeten integreren, ofwel aanpassen, nietwaar? De PvdA doet het slecht in de peilingen, vandaar hoogstwaarschijnlijk de Nieuw Flinkse oprisping van Bos.
Als het niet om te huilen was zou het om te lachen zijn.

Peter de Maan
13 maart 2008


Ian Buruma

 

Willem Middelkoop
Als de dollar valt; wat bankiers en politici u niet vertellen over geld en de kredietcrisis

‘Ik denk dat bankinstellingen gevaarlijker zijn dan beroepslegers en dat het principe van geld uitgeven dat nog door het nageslacht moet worden gespaard, het zogenaamde financieren, niets anders is dan grootschalige oplichting van toekomstige generaties’.
Thomas Jefferson, voormalig president van de Verenigde Staten.

‘Het komt erop neer dat werkelijk vermogen geproduceerd moet worden; het kan niet worden gedrukt’.
Robert McTeer, voormalig president van Federal Reserve Bank Dallas.

‘…..de Amerikaanse overheid is inderdaad failliet’.
Prof. L. Kotlikoff, oud-adviseur van president Reagan.

Er wordt in de VS veel meer uitgegeven dan verdiend, veel meer geïmporteerd dan geëxporteerd en de schuld van huishoudens, bedrijven en overheden gezamenlijk groeit met drie miljard dollar per dag. De staatsschuld bedraagt nu al meer dan $ 8.000.000.000.000. Niemand verwacht dat de VS dit ooit nog gaat terugbetalen.
In ‘Als de dollar valt’ legt journalist en RTL Z-medewerker Willem Middelkoop in 100 vragen en antwoorden uit hoe dat zo gekomen is en hoe het in elkaar zit. Het boek van nog geen 200 pagina’s leest als een trein en zit vol met saillante en soms zelfs schokkende feiten. Middelkoop zou het boek mijns inziens nog beter gemaakt hebben wanneer hij in pakweg anderhalve pagina eerst de rode draad van het verhaal uiteengezet zou hebben en zou hebben aangegeven waarom hij de 100 vragen en antwoorden in precies de gekozen 11 blokken heeft ingedeeld. Maar dat neemt niet weg dat we met een belangwekkend boek te maken hebben.

Hoe is het zo gekomen?
In 1944 was duidelijk dat de VS als grote overwinnaars uit de Tweede Wereldoorlog zouden komen. Op de conferentie van Bretton Woods hebben ze deze zekerheid meteen verzilverd: afgesproken is toen dat alle nationale valuta’s voortaan gedekt zouden worden door de US-$ en niet meer door goud. Wel werd nog beloofd dat de valuta altijd omgeruild zouden kunnen worden tegen goud. Toen de VS eind jaren 60/begin jaren 70 veel geld nodig hadden om de oorlog in Vietnam te financieren heeft Nixon deze belofte ingetrokken. Gevolg: de VS konden zoveel dollars drukken als ze wilden. Er kwam bij dat er een koppeling tot stand is gekomen tussen de $ en de olie: olietransacties moesten, ook als de VS er niet bij betrokken waren, betaald worden in VS-dollars. Ofwel: de oliekopende landen hadden dollars nodig. Die kregen ze door goederen te verkopen aan de VS die er alleen de geldpers maar voor hoefden te laten draaien. Geld zat dus. En gaande de rit kwam er veel meer geld in omloop dan de waarde van de geproduceerde goederen + de inflatie. De dollar zat immers niet meer vast aan het goud. De overkill aan dollars werd gebruikt om geld uit te lenen: de VS leven gewoon op de pof. Om een voorbeeld te geven: huizenbezitters werden zeer aangemoedigd om extra hypotheken tegen lage rentes op te nemen. Dat gaf een grote impuls aan de consumptieve bestedingen.
Maar inmiddels is het einde in zicht. Zo’n proces kan alleen doorgaan wanneer het vertrouwen van consument, banken en andere naties in de dollar blijft bestaan. En dat is inmiddels niet meer zo. De huizenmarkt in de VS is zwaar ingezakt, per maand worden 224.000 gezinnen uit hun huis gezet (NRC 8 januari 2008). Steeds meer olieproducerende landen accepteren geen dollars meer, zoals Iran en Rusland. Saddam Hoessein had al bepaald dat de Irakese olie alleen nog maar in euro’s betaald kon worden. Het is niet vergezocht ervan uit te gaan dat Irak om die reden in 2003 is binnengevallen. Dat de olie niet meer in dollars betaald wordt heeft als gevolg dat de VS zelf andere valuta moeten kopen. En dat met een dollar die steeds minder waard wordt. Voor het grootste olieslurpende land uit de geschiedenis bijna een horrorscenario. Zeker in combinatie met het feit dat er over niet al te lange tijd sprake zal zijn van het wereldwijde peak-oil-punt: het punt van de maximale productie van olie. Niet omdat er te weinig olie is, maar omdat de productiecapaciteit onvoldoende uitgebreid en vernieuwd is. Middelkoop: ‘Een op schulden gebaseerd systeem vereist van nature permanente groei. Deze groei wordt al snel onmogelijk als de olieproductie haar top bereikt’.
De dollar is bezig aan een ongekende neergang en de echte val zal zeker komen. De vraag is alleen wanneer. Het is geen prettig perspectief: ‘Omdat bijna 70% van de vermogens van de centrale banken in de wereld uit US-dollars bestaat dreigt in feite een complete implosie van dit systeem’.
De ondertitel van het boek luidt: ‘wat politici en bankiers u niet vertellen over geld en de kredietcrisis’. Middelkoop geeft wat dat betreft veel feiten, bijvoorbeeld over het ontstaan van de Federal Reserve Bank (dat die géén overheidsinstelling is maar een conglomeraat van commerciële banken, en over de geheimzinnigheid waarmee die in het leven geroepen is), over het manipuleren naar beneden van het inflatiecijfer (hoe hoger de inflatie, hoe minder men vertrouwen zal hebben in de dollar), het ingrijpen van overheid en Fed in de economie om de koersen op peil te houden (hoezo vrijemarkteconomie?). En mijn laatste voorbeeld: het feit dat de VS in 2006 gestopt zijn met het publiceren van cijfers over de totale geldgroei (‘de publicaties zouden geen relevante economische gegevens bevatten’, hoe verzinnen ze het?)
Juist door dit soort informatie leest het boek als een trein.

Wat nu?
Allereerst beveelt Middelkoop aan te beleggen in goud of zilver. Per slot van rekening is het een handige jongen die zelf belegt en adviezen geeft. Voor de wat langere termijn geeft hij aan dat we ons toch zullen moeten instellen op een meer ‘back-to-basics-leefniveau’. Dat zit er wel in, of we dat nu willen of niet.
Op geopolitiek niveau ziet hij de opkomst van India en vooral China: ‘De economische ontwikkeling en expansie van China en India zal een grote impact hebben. Het zal niet lang meer duren voor deze landen in de wereldeconomie de toon aangeven’. Hetgeen niet meteen zal betekenen dat de Chinese yuan de rol van de dollar zal overnemen. De dollarreserve van China bedroeg in 2007 al 1200 miljard dollar, in de vorm van staatsobligaties. Als de dollar valt verliezen de Chinezen een groot kapitaal.
In januari 2005 verscheen een door W. Boonstra geschreven en door Middelkoop aangehaald Themabericht van de Rabobank ‘Leven na de dollarstandaard’. Deze ziet een overgangsperiode waarbij de euro de ankervaluta van Europa en omstreken zal worden terwijl in principe de yuan dezelfde rol kan gaan spelen in Azië. De yuan moet dan nog wel losgemaakt worden van de US-$.
Op de langere termijn zal niet de euro de internationale rol van de dollar overnemen, vanwege de economische en politieke zwakte van Europa, maar de Chinese yuan, vanwege het economische en politiek gewicht van China.
Rest mij nog op te merken dat het opvallend is dat dit soort belangrijke zaken worden aangekaart en besproken door wat we toch kunnen noemen ‘rechtse mensen’. Hier ligt nog een schone taak voor echt links.

Peter de Maan
5 februari 2008

Er is inmiddels een herziene editie uit!

 

Frank Westerman
De graanrepubliek

De graanrepubliek is een door Frank Westerman persoonlijk ingevulde geschiedenis van de opkomst, ondergang en naweeën van de Groninger graanrepubliek: de graanmonocultuur in het Oldambt die eind 19e eeuw fortuin bracht aan een elite van herenboeren en die een enorme sociale spanning gaf. In 1892 leidde dit tot een mislukte revolutie en in de 2e helft van de 20e eeuw tot een absolute meerderheid voor de communistische partij.
De graanrepubliek is een prachtig geschreven boek, met verschillende verhaallijnen. Er is ruime aandacht voor Sicco Mansholt, de eerste na-oorlogse minister voor landbouw en de eerste vice-voorzitter van de EEG, en tevens landbouwcommissaris. Onder zijn beleid, dat geïnspireerd was door zijn opa, de enige rode herenboer van Groningen (hij wilde al het bouwland nationaliseren), kreeg het landbouwbeleid van Nederland en de EEG gestalte: vaste prijzen en ruilverkaveling onder het motto ‘nooit meer hongerwinter’, met boterbergen en melkplassen als gevolg.
Vlak voor de 2e wereldoorlog uitbrak, had Sicco een boerderij gekocht in de net ontgonnen Wieringermeer polder, en raakte betrokken bij het verzet: van wapensmokkel tot onderduikers. Als op een dag een Duitse uitkijkpost bij zijn boerderij wordt geïnstalleerd, gaat Sicco met de ploeg het land op om de in een kuil in de grond ondergedoken joden te waarschuwen. ‘Jetzt schon an die Arbeit?’ vragen de verbaasde soldaten. ‘Ja, es fängt wieder an’. Hij laat de ploeg over de bevroren aarde denderen en gaat, na de mensen te hebben gewaarschuwd, weer terug. ‘Jetzt schon zurück?’ - ‘Ja, die Grund war zu hart’.
Eind jaren zestig is hij als landbouwcommissaris nog de ‘Bauernmörder’, in 1971 raakt hij in de ban van het ecologisch-socialistisch radicalisme onder invloed van de drukproeven van ‘Limits to growth’, het alarmerende rapport van de Club van Rome; en onder invloed van de latere door haar vriend vermoorde Grünen corifee Petra Kelly, die ambtenaar was op zijn commissariaat en waarmee hij een liefdesaffaire had. Het idioom verandert van grootschalige productie naar minder productie met meer ruimte voor de natuur. In de EEG verzuchtte men hoe een dergelijke ongeleid radicaal projectiel op zo’n invloedrijke positie terecht kon komen – hij was na het terugtreden van zijn voorganger voorzitter van de EEG geworden… Hij verwijt de Waddenvereniging een halfzachte benadering in de kwestie van de gedeeltelijke inpoldering van de Dollart – de vereniging wenst dat rekening wordt gehouden met natuurbelangen, terwijl Sicco’s adagium is: handen af van het Wad, van Den Helder tot Sylt.
Het boek eindigt met het rondbreien van de cirkel: het eens ingepolderde Oldambt zal met instemming van de lokale communist Koert Stek gedeeltelijk onder water worden gezet voor de realisering van De Blauwe Stad: luxueuze bebouwing rond een artificieel zoetwatermeer. Koert is door Paul de Groot nog naar de Sovjet Unie gestuurd om zijn gevoelsmatige (‘revisionistische’) communisme wat theoretisch bij te spijkeren, wat niet echt aan hem besteed was…

Wieger
8 januari 2008

 

Martine Letterie

Meteen na de tweede wereldoorlog werd het beeld geschapen (onder andere door het monumentale werk van Lou de Jong) dat in die oorlog heel veel Nederlanders héél goed zijn geweest en een handjevol NSB-ers en andere landverraders héél erg fout. Dat beeld is inmiddels aardig rechtgezet (zie bijvoorbeeld ‘Grijs Verleden' van Chris van der Heijden en ‘Om erger te voorkomen' van Nanda van der Zee). Martine Letterie (www.martineletterie.nl ) is de uitdaging aangegaan om boeken te schrijven voor de wat jongere jeugd zonder in het oude zwart-witschema te vervallen. Bij deze een bespreking van twee van die – geslaagde! – pogingen.

De schaduw van het Verleden'
Uitgeverij Ellessy
(vanaf 13 – 15 jaar)

Op zijn 13e verhuist Peter met zijn ouders en zus Moniek naar een klein dorpje in Drenthe, in de buurt van een vroeger concentratiekamp. In huis heerst doorlopend spanning, door zijn vader die vaak de hort op is en veel drinkt.

Als Peter een boekhandel binnengaat om de boeken voor het nieuwe schooljaar te bestellen en zijn achternaam noemt, wordt hij zo'n beetje buiten gegooid. Hij weet totaal niet waarom. Op school wordt hij door iedereen buitengesloten en gepest. Ook in dit geval weet hij niet hoe dat komt.

Totdat hij in een kamer brieven en een gedeelte van een dagboek vindt van zijn vader. Zijn vader heeft in de 2e wereldoorlog voor de Duitsers gewerkt in Kamp Westerbork bij het dorp waar ze nu wonen en hij was erbij toen de Duitsers mensen uit dat dorp vermoordden!

Het is een hele klap voor hem. In eerste instantie is het enige positieve wat hij meemaakt zijn vriendschap met zijn klasgenote Ciska, de enige ook die naast hem wil zitten. Via haar komt hij bij een geschiedenisgroepje van hun geschiedenislerares Anneke. Ciska blijkt in de boekhandel te wonen waar Peter buiten werd gezet.

Er is ook een gesprek tussen Peter en zijn vader waarin de laatste vertelt dat hij in de oorlog de verkeerde keus heeft gemaakt, maar dat hij niemand kwaad heeft gedaan. Peter ziet echter in dat zijn vader een deel in een moorddadig geheel is geweest.

Peter verbreekt de vriendschap met Ciska en als Anneke, met wie hij een goede band gekregen heeft, vraagt waarom hij dat gedaan heeft vertelt hij alles tegen haar. Anneke zegt tegen hem dat hij Ciska moet uitleggen waarom hij zo tegen haar doet. Met veel tegenzin stapt hij de volgende dag op Ciska af. Hij vertelt haar alles maar ze zegt dat het niks verandert in hun vriendschap. Een groot deel van haar familie is wel via Westerbork naar Duitse concentratiekampen afgevoerd en daar omgekomen. Ik zal de rest van het boek niet vertellen, de spanning moet er enigszins in blijven.

Moniek Letterie neemt de gelegenheid te baat om de jeugd waarvoor het boek geschreven is een aantal inzichten mee te geven die zonder meer waardevol zijn. Zo laat ze Anneke tegen Peter zeggen: ‘Nu wordt je door iedereen afgewezen en waarschijnlijk vraag je je af, of je niet net zo bent als je vader… Jij bent je er al jong van bewust dat het kwaad in principe in iedereen zit… Achteraf hebben we allemaal makkelijk praten.' In het Nawoord stelt de schrijfster: ‘Ik heb dit boek ook geschreven omdat er altijd kinderen zijn wiens leven beïnvloed wordt door de (foute) keuzes van hun ouders, of door het geheim dat er in hun gezin bewaard wordt. Zij zullen moeten ervaren dat ze verantwoordelijk zijn voor hun eigen keuzes en niet voor die van hun ouders.'

‘Scherven in de Nacht'
Uitgeverij Leopold, 2006
(vanaf 10 jaar)

De Kristallnacht was een georganiseerde aanval tegen joden in Duitsland in de nacht van 9 op 10 november 1938. In heel Duitsland werden joden aangevallen. In die nacht werden zo'n 267 synagogen in brand gestoken; ongeveer 7500 winkels en bedrijven werden verwoest. Huizen, scholen, begraafplaatsen, en ziekenhuizen werden beklad, en 91 joden werden vermoord. De naam Kristallnacht verwijst naar het vele glaswerk dat tijdens die aanvallen vernield werd. Na de Kristallnacht, waarin hun winkel aangevallen wordt, besluiten de ouders van Jakob naar Nederland te gaan. Hoewel Nederland bekend staat als vluchtelingvriendelijk worden ze teruggestuurd: er is geen directe doodsbedreiging tegen hen geuit en aangezien ze geen geld hebben worden ze beschouwd als economische vluchtelingen (waar kennen we dat nog meer van? – P.).

Samen met David, een andere Joodse jongen, gaat Jacob later illegaal Nederland binnen. Na een verblijf in Eindhoven komen ze terecht in kamp Westerbork dat door de Nederlandse regering gebruikt wordt als opvang voor buitenlandse joden. Ook de dertienjarige Mieke komt aan in Westerbork. Haar vader is de nieuwe boekhouder van het kamp. Ze heeft een idyllisch beeld van Nederland maar dat verandert wel als ze ziet hoe het in Westerbork toegaat en wanneer ze de verhalen van haar vader over de werkelijke internationale ontwikkelingen hoort.

Het verhaal speelt zich af tussen november 1938 en mei 1940. De Duitse jongens werken in de tuin van Mieke's ouders en zo komt ze dus mensen van haar leeftijd tegen met een andere achtergrond en een andere werkelijkheid dan de hare.

Ook hier zal ik het verhaal niet helemaal uit de doeken doen, maar wat meer focussen op wat de schrijfster aanreikt aan toch hele jonge mensen. In haar Nawoord geeft ze aan dat Westerbork op de verlaten heide eigenlijk tweede keus was. In eerste instantie was gekozen voor de Veluwe, maar dat vond de koningin te dicht bij paleis het Loo. De Nederlandse joodse gemeenschap heeft het terrein zelf moeten bekostigen.

Tot slot: De boeken lezen goed weg. Waarbij ik moet zeggen dat ik wel heb moeten wennen aan de schrijfstijl in ‘Scherven in de Nacht', heel veel korte zinnen. Maar dat is uiteraard gedaan voor de doelgroep.

Peter de Maan
28 november 2007

 

Bridget Anderson
‘doin’ the dirty work?’
Migrantinnen in der bezahlten Hausarbeit in Europa

Dit oorspronkelijk in 2000 in het engels gepubliceerd en in 2006 in het Duits vertaald boek gaat over een thema dat zowel in de literatuur als in de lopende discussies nog steeds onderbelicht is: de betaalde huishoudelijke arbeid, op het knooppunt van de thema’s migratie, arbeid en reproductie. De schrijfster schreef voor de vertaling een update 2005.

De uitgevers, Doris Schierbaum en Monika Becker, presenteren dit boek vanuit de ervaring dat veel van hun vroegere feministiese medestrijdsters vandaag de dag volkomen vanzelfsprekend de troep laten opruimen door betaalde huishoudsters, zodat ze zichzelf kunnen wijden aan hun goedbetaalde banen, of om te genieten van quality time in het leven, meer geluk per hartslag. En de mannen kopen zich met geld vrij van de huishoudelijke verplichtingen, die ze toch al steeds met tegenzin en noodgedwongen verricht hebben.
"Wij zijn er tegen de strijd om de verdeling van de reproductiearbeid te beëindigen en in de la te leggen door het aannemen van een huishoudster. We houden vast aan een politiek concept, dat de heersende normen van de kapitalistische arbeidswereld en de eraan onderworpen reproductie net zo ter discussie stelt als de seksistische en racistische arbeidsdeling", heet het in het voorwoord.

Anderson schrijft niet vanuit een academische uitkijktoren, maar kiest partij, onder andere als deelneemster aan de Campagne van de Kalayaan, een organisatie die in de vroege jaren 90 het verblijfsrecht voor migrante huishoudsters in Britannië deels kon afdwingen, en als onderzoekster. Ze werkt tegenwoordig bij de universiteit van Oxford aan de thema’s migratie en arbeidsmarkten: www.compas.ox.ac.uk

Ze beschrijft hoe de Victoriaanse tweedeling van Madonna en Hoer in de tegenwoordige tijd verlengd wordt in de racistische constructie van de tweedeling tussen blanke werkgeefster en gekleurde huishoudster. Besproken worden: de manieren van migratie, de bemiddelaars en agenturen – vooral echter worden de twee assen aangegeven die de sociale positie van de betaalde huishoudsters bepalen: hun verblijfsrechtelijke status, legaal of geïllegaliseerd, en de plek waar ze wonen: Live-in of Live-out. In de loop van het boek wordt aan de hand van talrijke voorbeelden uiteengezet dat de Live-in-arbeid, dus wanneer de huishoudster op de plek van het werk woont, eigenlijk op zich al leidt tot overuitbuiting en beschadiging van het eigen zelf, anders dan wanneer de arbeidster zich na het werk kan terugtrekken in een aparte woning.
Uit een in 1995 en 1996 uitgevoerd veldonderzoek in verschillende steden in zuid-, west- en centraal-Europa blijkt dat Live-in-arbeidsverhoudingen overwegend gevonden worden in Zuid-Europa.

De schrijfster doet ook uitgebreid verslag van de verhoudingen in Britannië, en het zwaartepunt van de weergave ligt hier op de Campagne van de organisatie Kalayaan. In 1987 ontstond parallel aan Waling Waling, een steungroep van Filippijnse mensen voor Filippijnse huishoudelijke werksters, een groep van ondersteuners, Kalayaan, waarin Britse onderdanen het openbare werk naar buiten toe overnamen. Kalayaan had als taak juridische en medische hulp te organiseren, een campagne voor de legalisering van de betreffende migrantes te voeren en tegelijkertijd in het algemeen op te komen voor de verandering van de immigratievoorwaarden.

Het hoofdstuk, ‘De verkoop van het eigen zelf’, staat centraal bij de theoretische bepaling van het thema huishoudelijk werk. Het gaat daarbij niet om de loonarbeid van vrije personen: de huishoudelijk werkster verkoopt zichzelf – met ‘huid en haar’, zoals dat vroeger heette. Huishoudelijke arbeid wordt tot de ware aard van deze vrouwen verklaard en het racisme en restrictieve immigratiebepalingen zijn hiervoor de vooronderstelling. "Vrouwen uit geracificeerde groepen, die dichter bij de natuur staan, zijn ‘vanuit hun natuur’ goed voor de huishoudelijke arbeid. De huishoudelijke arbeid in de VS, Canada, Europa en het Midden-Oosten is in hoge mate geracificeerd."

De update 2005 gaat onder andere in op de toename en de nieuwe vorm van zorgarbeid die op grond van de demografische ontwikkelingen in Europa ook verder nog te verwachten is.
Onafhankelijk van de vraag of vrouwenloonarbeid verder groeit of niet: de ouden van dagen hebben geld en zullen zorg en liefde kopen.
Liefdeswerk, zorgarbeid, huishoudelijke arbeid zijn essentieel voor de reproductie van het globale kapitalisme. Deze arbeid is niet uit te besteden, ze moet noodzakelijkerwijs verricht worden op de plek zelf. In de Filippijnen, als klassiek emigratieland, is inmiddels 70% van de vertrekkende personen vrouw. Alleen al de Filippijnse vrouwen sturen volgens een schatting van de VN jaarlijks meer dan 6 miljard dollar terug naar hun land van herkomst, en ze betalen daarmee ook de opvoeding van hun eigen kinderen, waarmee ze vaak jarenlang slechts telefonisch contact hebben. Eén op de drie kinderen in de Filippijnen heeft één of beide ouders door emigratie verloren. Naast de brain-drain is er een care-drain ontstaan, het tot economische waar maken van liefde en verpleging.

De beslissende bescherming tegen overuitbuiting en afhankelijkheid zal niet geboden worden door wetten en contracten, maar zal afhangen van de graad van zelforganisatie van de migrantes, van hun mobiliteit en toevluchtsmogelijkheden buiten de arbeidsplaatsen. Hier is het lonend, heel precies te lezen wat Bridget Anderson over deze onderwerpen te zeggen heeft.

(NB: Voor deze recensie is dankbaar gebruik gemaakt van de Duitstalige recensie door W. Bergman).

Peter de Maan
oktober 2007

In haar boek komt Bridget Anderson heel even te spreken over de situatie in Marokko.
In Marokko zelf wordt de huishoudelijke arbeid in de rijkere privé-huishoudens overwegend verricht door kinderen, onder verhoudingen die werkelijk lijken op slavernij. En die dat wat ze in Athene en elders in Europa aangetroffen heeft, ver overtreffen qua slechtheid. Dat de grenzen gesloten zijn draagt aanzienlijk bij aan de toenemende verslechtering van de sociaal-economische verhoudingen voor de poorten van de vesting Europa.

Ondanks het belang van de aandacht voor huishoudmigrantes in het rijke westen, moeten we onze ogen niet sluiten voor het feit dat een groot deel van de wereldwijde migratie plaats heeft in de Drie Kontinenten.
Om daar inzicht in te krijgen is het aan te raden het boek ‘Not for sale: The return of the global slave trade – and how we can fight it’ van David Batstone te lezen.
Hij publiceerde een uittreksel van het boek in het blad ‘Sojourners’ van 15 maart van dit jaar, onder de titel ‘From sex workers to restaurant workers, the global slave trade is growing.’
Het uittreksel is te vinden op de site: www.home.versatel.nl/peter.vanpelt , onder het kopje ‘Recensies en uittreksels’ (in het engels; een Nederlandse vertaling is in de maak). Een citaat:
"De handel in mensen komt tegenwoordig in de buurt van drugssmokkel en de illegale wapenhandel als de belangrijkste criminele aktiviteit op de planeet. De slavenhandel staat op nummer drie van de lijst maar het gat wordt gedicht."

En misschien wel het belangrijkste:
"in mijn reis om de opkomst van de moderne globale slavernij in ogenschouw te nemen, had ik mezelf erop voorbereid terecht te komen in de diepste putten van depressie. Om eerlijk te zijn, ik maakte er een paar ongemakkelijke stops. Maar mijn reis eindigde niet in wanhoop. De belangrijkste reden: ik ontmoette een heldhaftig gezelschap van abolitionisten die simpelweg weigerden om achterover te leunen."

 

Frank Westerman
Ingenieurs van de ziel

De ingenieurs van de ziel, de schrijvers en poëten, moeten de droom van de vooruitgang in de Sovjet Unie levend houden. Na de electrificatie van Lenin - Communisme = macht aan de sovjets en electrificatie van de USSR - zal Stalin onder andere door middel van grootschalige waterwerken zorg dragen voor de modernisering van Rusland. De talloze ingenieurs van het machtige departement van waterstaat plannen ijverig kanalen die door dwangarbeid worden gerealiseerd; Moskou wordt een zeehaven door verbinding met de Witte en Zwarte Zee, de Karakoem woestijn in de Turkmeense SSR wordt omgetoverd tot katoen paradijs. De burelen van waterstaat zijn gedurende de hele sovjet periode zwanger van het idee van de perebroska: de omkering van de grote Siberische rivieren naar de woestijnen in het zuiden.

Aan de ingenieurs van de ziel de taak om heroïsche verhalen dienaangaande te dichten. Het was de enige manier om voorbij de burelen van de GlavLit te komen, de censor die besliste over publicatie. Maxim Gorki twijfelde aan de USSR, maar werd na een verblijf in Italië door Stalin persoonlijk uitgenodigd de schrijverscollectieven te leiden, die jubelend verslag gingen doen van de progressie.

Konstantin Paustovski wordt door Westerman uitgelicht als exemplarisch figuur, die tegen zijn esthetische zin meedraait in het systeem, om maar te kunnen overleven. Westerman volgt Paustovski’s reis naar de baai van Kara Bogaz, waarover Paustovski een roman schreef. Deze baai aan de Kaspische zee was een natuurlijke bron van natriumulfaat, door de snelle verdamping. De chemische industrie die hier verrees zou na enkele decennia een spookstad worden, door het mismanagement van de waterhuishouding. De baai heeft zelfs een decennium niet bestaan: zij was opgedroogd.

Westerman brengt de val van de Sovjet Unie in verband met het failliet van Waterstaat. Een van zijn docenten had onderwezen over het intrinsieke verband tussen totalitaire samenlevingen en grootschalige waterwerken. Van het oude Egypte, Mesopotamië tot de USSR: zonder grootschalige slavenarbeid zijn dergelijke projecten onmogelijk. Toen de ingenieurs van de ziel begonnen te twijfelen aan de ‘fysiki’, de ingenieurs van de natuur, waren de dagen van het rijk geteld… Onder andere deze eigen invalshoek, kenmerkend voor Westerman’s geschriften, maakt het boek zeer interessant.

Wieger
29 augustus 2007

 

Helen Zenna Smith
Gij vrouwen..!, Vrouwen in nood, Vrouwenroeping (trilogie).
Amsterdam, Arbeiderspers 1938. 599p. Gebonden. €5,-

Evadne Price (1896/1901-1985) (pseudonym Helen Zenna Smith) was een Britse freelance journalist, columnist, auteur, acteur, televisie presentatrice en astroloog.

“Gij, vrouwen..!” gaat over een Britse vrouw (Nell) die in de eerste wereldoorlog in Frankrijk werkt als ambulancechauffeuse voor het leger. Ze komt terecht in een afgrijselijke wereld vol ontberingen door kou, slaapgebrek, zinloze discipline, honger en de verschrikkingen van het vervoer van verminkte, getraumatiseerde en stervende soldaten. De chauffeuses, van wie voor de oorlog niets anders verwacht werd dan trouwen en kinderen krijgen, wonen samen in barakken en zijn verschillend van afkomst en de manier waarop ze al dan niet kunnen omgaan met de situatie. De verschrikkingen van de gewonden en de doden en de nutteloosheid van de oorlog worden op een indrukwekkende, cynische manier beschreven. Dit effect wordt nog vergroot doordat aan het thuisfront jonge mannen en vrouwen onder druk worden gezet om toch vooral “iets te doen voor hun vaderland”. Nell's moeder en diens vriendin mevrouw Evans-Mawnington doen hun best om er zoveel mogelijk te ronselen, wat hun status danig verhoogt. Ze hebben een romantisch idee van de oorlog, wat in enorm contrast staat met de werkelijkheid.
Deel één eindigt met dat de vriendin van Nell, ook chauffeuse, in haar armen sterft nadat haar auto is geraakt door een bom. Nell wordt naar huis gestuurd met shell-shock en komt terecht in een wereld waar men dus geen idee heeft hoe het er aan het front aan toegaat. Ze trouwt met Roy Ewans-Mawnington (de zoon van) die blind en met één been en trauma uit de oorlog terugkwam. Zo kan z’n moeder hem te pronk in z’n rolstoel rondrijden als oorlogsheld. Wanneer de oorlog is afgelopen stuit ze op onbegrip omdat ze geen feest kan vieren maar slechts slechte herinneringen heeft. Door alle toestanden in de familie en het agressieve gedrag van haar man, verlaat ze hem (een groot schandaal). Hij dreigt zich door de kop te schieten en belandt uiteindelijk op straat.
Ik was danig onder de indruk van dit boek, het is weliswaar uit 1938 maar de “impact” is er niet minder om. Het boek bevat nog een deel twee en drie, ook de moeite waard om te lezen maar ik vond zelf deel één het meest indrukwekkend. Niet voor een zwakke maag.

Tikoes
24 juli 2007

 

Bas van der Plas
Katastrofa
Milieu in Rusland. 20 jaar na Tsjernobyl

In Katastrofa schrijft Bas van der Plas lyrisch over de Russische rivieren, de levensaders van Rusland. Talloze rivieren en riviertjes noemt hij bij naam, waarbij hij tot vervelens toe de overschrijdingen van de maximum concentraties van allerlei afschrikwekkende chemicaliën de revue laat passeren. Zeer irritant is de slechte redactie: het taalgebruik is moeizaam, soms krom en er staan veel schrijffouten in.

Het meest stoorde me echter de ‘politieke’ visie, of beter, de apolitieke benadering van het geheel, in het eerste deel van het boek. Bas benadert hier de zaak heel moralistisch: de ongerepte natuur is goed, de gecorrumpeerde mensenhand vernielt al dit schoons. De watervoorziening voor de Russische steden moet het bijvoorbeeld ontgelden: de dammen die hiertoe in de rivieren zijn geplaatst creëren ondiepe bassins waarin chemicaliën zich ophopen en verrottingsprocessen de waterkwaliteit ernstig aantasten. Deze en andere terechte constateringen worden echter steevast gevolgd door morele afkeuring van de projecten als zodanig. Hoe de Russen aan hun water moeten komen is niet zijn zorg, of in ieder geval niet het onderwerp van het boek. Hij laat dus duidelijk de problemen zien vanuit een ecologisch standpunt, maar laat de crux buiten beschouwing: hoe organiseert de elite de productie, al of niet ten koste van mens en natuur?

Afgezien van bovenstaande struikelblokken vond ik het boek toch de moeite waard vanwege het overzicht van de milieuproblemen in Rusland en een aantal verrassingen: de kernramp in de Oeral uit de jaren ’50, waarbij een derde van de hoeveelheid radioactief materiaal van de ramp in Tsjernobyl vrijkwam, was mij alleen vaag bekend, maar is werkelijk een subliem staaltje van minachting van het volk door de sovjet technocraten. Alles was geheim-geheim, de bevolking stond bloot aan de radioactieve neerslag en dronk verontreinigd water.

In de laatste hoofdstukken komen toch nog maatschappelijke en politieke ontwikkelingen aan bod in hoofdstukken als ‘Russisch consuminderen’ en ‘Junglekapitalisme in een postsovjetland’. Het boek eindigt met een hoofdstuk over Rusland als nucleaire stortplaats van de wereld, zeer interessant en actueel allemaal...

Wieger
juni 2007

 

Ross Gelbspan
The heat is on
The Climate Crisis. The Cover-Up. The Prescription

Gelbspan beschrijft niet alleen de enorme omvang van het klimaatprobleem, maar ook de methoden die de olie-industrie gebruikt om haar belangen te verdedigen. Zo worden er pseudo-wetenschappelijke instituten opgericht die als doel hebben de klimaatverandering en haar gevolgen te bagatelliseren. Bevriende politici zorgen dat onderzoeksgelden van de overheid bij dit soort instituten terechtkomen in plaats van bij serieuze onderzoeksinstellingen; zo snijdt dit mes aan twee kanten: meer geld voor voor klimaat-sceptici en minder voor onderzoekers die een waarschuwende boodschap hebben.
De olie-lobby is ook niet te beroerd om Westerse landen en ontwikkelingslanden tegen elkaar uit te spelen in de klimaatdiscussie door te stellen dat vergaande maatregelen niet haalbaar zijn voor ontwikkelingslanden, waarop Westerse landen reageren met het credo: ‘hun niet, dan wij ook niet’.
Voorts besteedt Gelbspan ook aandacht aan minder bekende gevolgen van de klimaatverandering zoals het oprukken van tropische ziektes en insekten en hogere golven in bijvoorbeeld het Noorden van de Atlantische Oceaan. Dat de tropische biotopen steeds verder oprukken in de gematigde zones was bekend, maar relatief nieuw is dat dat proces veel sneller gaat in mariene biotopen dan op het land. Ook op politiek gebied kan klimaatverandering grote gevolgen hebben; zo stelt Gelbspan dat in landen waar de democratie zwak is rampen die door klimaatverandering veroorzaakt worden zoals misoogsten, waterproblemen, en ziektes ervoor kunnen zorgen dat machthebbers de democratie als te ingewikkeld of langzaam gaan zien om de problemen het hoofd te bieden.
In het laatste hoofdstuk gaat de schrijver het wetenschappelijke debat aan met de klimaatsceptische wetenschappers; als niet-ingewijde haak je dan al snel af maar gelukkig is dat hoofdstuk ook bedoeld als aanhangsel en is het verder niet van belang voor de genietbaarheid van het boek als geheel.

Wilko
16 mei 2007

 

de amerikaanse droom

Barbara Ehrenreich
De achterkant van de Amerikaanse Droom

Volgens de National Coalition for the Homeless moest je in 1998 per uur 8,89 dollar verdienen om een tweekamerflat te kunnen betalen. Het Preamble Center for Public Policy schatte dat een doorsnee bijstandstrekker een kans van 1 op 97 had om zo’n baan te vinden.’

Barbara Ehrenreich (1941, Butte, Montana) studeerde natuurkunde en promoveerde in 1968 op een onderwerp uit de celbiologie. Maar haar hart lag niet bij de exacte wetenschap. Ze verkoos een leven als politiek activiste, waarbinnen ze verschillende boeken schreef. In Nederland is ze vooral bekend geworden door het samen met Deirdre English geschreven ’Voor haar eigen bestwil’ (1979) (engels: ‘For her own good: 150 years of the expert’s advice to women), een feministiese klassieker waarin het uithollen van de eigen zeggenschap van vrouwen en het overnemen daarvan door de deskundologen, ontleed wordt.

In ‘De achterkant van de Amerikaanse Droom’ gaat ze als een Amerikaanse Günther Wallraf undercover werken in lage banen om na te gaan hoe dat is voor degenen die gedwongen dat soort banen moeten nemen. Ze is serveerster in Florida, schoonmaakster in Maine en winkelbediende bij een vestiging van Wal-Mart (het grootste bedrijf ter wereld) in Minnesota.
Wat ze meemaakt is, om het rustig te zeggen, niet verheffend. Ze maakt een opeenstapeling van ellende mee.
En dan moet nog opgemerkt worden dat het hier niet gaat om de echte onderkant van de Amerikaanse samenleving. Die wordt gevormd door de werklozen en zwartwerkers waarbij – niet onverwacht – illegalen oververtegenwoordigd zijn. Het aantal van deze laatsten moet ondanks het gebrek aan officiële cijfers niet onderschat worden. Een illegale zwartwerk(st)er is in de VS schering en inslag. Zo kon Zoë Baird, beoogd minister van Justitie, in 1993 geen minister worden omdat ze een zwart betaald illegaal kindermeisje in dienst had.

De situatie van de mensen die Ehrenreich tegenkomt is zoals gezegd erg slecht. Al haar collega’s zonder man of vriend blijken er nog een tweede baan bij te hebben. Daarmee is de Amerikaanse droom die laat weten dat je het goed kunt hebben in de States als je maar een baan neemt, volkomen doorgeprikt. Armoede is niet meer het gevolg van werkloosheid. De huisvesting is bovendien belabberd (velen hebben een auto als huis, of slapen met z’n vieren in een motelkamer), de ziektekostenverzekering is niet te betalen, waardoor ziekte een ramp wordt en er zijn nog wat andere ‘ongemakken’. Pas in april 1998 kreeg men het recht op een plaspauze (daarvóór werd nogal eens gewerkt met luiers!).
Het Economic Policy Institute begrootte het absolute bestaansminimum voor een gezin met 2 kinderen op 30 duizend dollar per jaar, ofwel 14 dollar per uur. Blijkt dat 60% van de Amerikaanse werknemers het met minder moet doen. Let wel: internet, wijntje, uit eten is hier niet bij inbegrepen.
Ehrenreich’s commentaar is sprekend: ‘we kunnen ons … moeilijk op de borst kloppen dat we de geweldigste democratie van de wereld zijn als zo’n groot deel van de bevolking de helft van zijn wakend bestaan doorbrengt in een regelrechte dictatuur.’

Maar het meest opvallende voor een linkse participant/toeschouwer is het grotendeels ontbreken van verzet tegen deze omstandigheden.
Ehrenreich vraagt zich af wat hier de redenen voor kunnen zijn. Daarbij komt haar achtergrond als biologe van pas: ‘… het is aangetoond dat dieren die een ondergeschikte status binnen hun sociale systeem krijgen toebedeeld de chemische huishouding van hun hersenen daaraan aanpassen en ‘depressief’ worden, op een vergelijkbare manier als mensen. Ze gaan zich angstig en teruggetrokken gedragen en maken minder serotonine (de neurotransmitter waarvan het niveau door sommige antidepressiva wordt opgekrikt) in hun hersenen aan ... en, wat hier relevant is, ze vechten niet meer, zelfs niet meer uit zelfverdediging.’

Ik denk dat deze bio-psychologiese gevolgen van onderdrukking niet onderschat moeten worden. De enige manier om er doorheen te breken lijkt me het gevecht aan te gaan, bijvoorbeeld door de vakbonden, zodat er een voorbeeld komt waarnaar mensen zich kunnen richten. Zoals we weten zijn de officiële Amerikaanse vakbonden volkomen ingepakt (deels zelfs door de maffia), zodat er sprake zal moeten zijn van ‘wilde’ bonden.
Andere effecten van de onderdrukking: de identificatie met degenen voor wie men werkt, minderwaardigheidsgevoelens ten opzichte van diegenen die het wél gemaakt hebben, het taboe over spreken over geld. ‘Alle andere dingen hangen we in onze samenleving aan de grote klok: seks, misdaad, ziektes. Maar mensen zeggen niet hoeveel ze verdienen … En dus kom je er misschien wel nooit achter dat de Target even verderop beter betaalt dan de Wal-Mart, ook al heb je een schoonzus die daar werkt!’

Niet vergeten mag worden dat de bedrijven zelf ook hun deel hebben in het tegengaan van verzet, zo worden werknemers ontslagen wegens het werven voor een vakbond, maar aangezien dat volgens de wet niet mag, wordt het officieel beargumenteerd met ‘wegens misstappen’ (waar dus alles onder kan vallen).
En wat het praten over het loon betreft: dat wordt zelfs heden ten dage nog verboden door werkgevers, ondanks dat dat volgens de National Labor Relations Act uit 1935 niet mag.

De vraag is in hoeverre in Europa dit Angelsaksische model van inrichting van de economie zal worden overgenomen. De vooruitzichten zijn wat dat betreft niet goed: de verzorgingsstaat wordt afgebouwd, en de positie van werkenden zoveel mogelijk afgebroken. Met als argument de concurrentiepositie.
Ehrenreich gaat ook nog in op de angst voor de verzorgingsstaat in de VS. Ziektekostenverzekering, uitkeringen, etc. zijn daar min of meer taboe. Maar er wordt wel gigantisch veel geld uitgegeven aan politie, het gevangeniswezen, etc.
Het is maar waar je prioriteiten liggen.

Barbara Ehrenreich

Peter de Maan
april 2007

bestellen? mail rosa: rosaboek@xs4all.nl

>> naar voorgaande Uitgelezen >>

De Achterkant van de Amerikaanse Droom is geschreven in 2001.
Dat er voor de minder fortuinlijke Amerikanen niets veranderd is blijkt uit de heersende hypotheekcrisis. Hieronder het verhaal van een aantal ‘gewone’ Amerikanen die hun dromen in rook zagen opgaan.

‘Had ik maar nooit een hypotheek gekregen’

Freek Staps, NRC 17 maart 2007

Twee miljoen Amerikaanse huiseigenaren dreigen op straat gezet te worden in de hypotheekcrisis.

De hypotheekcrisis in de VS bedreigt de wereldeconomie. De noodsituatie begon met mensen als Gilbert Dickerson: werkloos, ziek en dik in de schulden. Toch kreeg hij een hypotheek. Het Amerikaanse echtpaar Dickerson is zo'n stel waarbij alles altijd mis lijkt te gaan. In een tijdsbestek van tien jaar is Gilbert door een botsing van zijn linkerknie met een machine arbeidsongeschikt geraakt, is hij als 41-jarige zijn baan als spoorbouwer verloren, verbrijzelde hij in een auto-ongeluk zijn rechterknie, kreeg hij een hartkwaal en werd hij diabeticus.
Bij zijn echtgenote Doretta werden talloze onderzoeken gedaan naar een mogelijke hersentumor en afgelopen donderdag is bij haar voor de derde keer een cyste verwijderd, ditmaal uit de rechterborst. Alsof het nog niet genoeg was staan Gilbert en Doretta nu symbool voor een groeiende Amerikaanse hypotheekcrisis die deze week tot wereldwijde recordverliezen op de beurs heeft geleid.
Het echtpaar Dickerson heeft net als veel Amerikanen een dure en risicovolle hypotheek voor minder daadkrachtigen afgesloten. En net zoals twee miljoen anderen de komende twee jaar dreigt te gebeuren, werden Gilbert en zijn vrouw na aflossingsproblemen uit de eigen woning gezet. Ik houd deze dagen niet alleen de negatieve getallen op de beurs bij, zegt Gilbert Dickerson aan de telefoon. Ik lees ook de bijbel. Want daarin staat dat de Heer aan mijn kant staat tegenover mijn hypotheekverstrekker: ik voer uw rechtsgeding en neem voor u wraak.
Terug naar 2002. Dickerson woonde in een buitenwijk van Chicago, in een vrijstaande koopwoning ter waarde van 161.000 dollar. Per maand loste hij 800 dollar (605 euro) af op zijn hypotheek. Dat betaalde hij van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering van 1.800 dollar plus de 400 dollar die hij per maand bijverdiende als huis-aan-huis-verkoper van luchtfilters. Toen werd zijn vrouw ziek. Net als bijna vijftig miljoen andere Amerikanen was ze onverzekerd en moesten de rekeningen uit eigen zak worden betaald. Gelukkig bood de huizenmarkt uitkomst. De gemiddelde Amerikaanse huizenprijs steeg op jaarbasis met 10 procent, en het in de VS relatief goedkope oversluiten was financieel aantrekkelijk.
Dickerson kreeg een telefoontje. Ene Stephanie Johnson van Flexpoint uit Californië meldde zich, schijnbaar uit het niets. Flexpoint zou alles makkelijker maken, mijn hypotheek en de verzekeringen gaan bijhouden, ik hoefde me nergens druk om te maken. (Volgens Dickerson bleek Johnson later ontslagen. Bij Flexpoint werd gisteren de telefoon niet opgenomen.)
Mijn vrouw werd ziek, ik werd ziek, ik moest toch íets. Ik zou in ieder geval mijn huis kunnen houden. Op dat moment wist Dickerson niet dat hij in dezelfde val trapte als de ruim twee miljoen anderen die jaarlijks de terminologie ook niet begrijpen: hij sloot een zogeheten subprime mortgage af. Dat is een hypotheek voor Amerikanen met een lage kredietwaardigheid. Omdat ze nog nooit geld geleend hebben, of ergens schulden hebben gemaakt. Ook was Dickerson niet bekend met de afgelopen week zo controversieel geworden termen: ARM (adjustable rate mortgage, hypotheek met wisselende percentages) zei hem niets. Net zomin als 2/28s (de verkoper benadrukt de twee jaar van bescheiden percentages, de 28 jaar daarna schieten de maandtermijnen periodiek omhoog). Laat staan dat hij wist van de teaser (het eerste rentepercentage is als lokmiddel laag).
Zonder de verkoopster ooit te ontmoeten gaf Dickerson zijn inkomsten op, inclusief de 400 dollar van de filters. Dat laatste bedrag bleek later vertienvoudigd. Hij belde haar. Zoveel verdien ik nooit. Waar haal je dat vandaan? De reactie was een dreigement. Zonder die aanvraag kon hij nooit een hypotheek krijgen. En bovendien moest hij zijn huis ook maar opnieuw verven want de taxateur zou langskomen. Tegelijkertijd had Dickerson het advies van Flexpoint opgevolgd zijn lopende afbetalingen te stoppen - daar zou voor gezorgd worden. Hij liep twee maanden achter op zijn aflossingen en de ziekenhuisrekeningen stapelden zich op. De verkopers van hypotheken die nu met honderden tegelijk hun baan verliezen werkten op provisiebasis, vaak vanuit huis.
Plunderaars, noemt onderzoeksorganisatie Center for Responsible Lending hen. Hun methodes zijn zo berucht dat steden als New York officieel adviseren nooit contracten met blanco regels te ondertekenen. Dat de agressieve wijze van hypotheekverkopen niet tot Dickersons woonplaats beperkt was, blijkt uit een bezoek aan McHenry op negenhonderd kilometer naar het zuidoosten, in de bergen tussen de gemeenten Friendsville en Accident in. Hier werkt Chad Ward vanuit huis, namens Eagle Mortgage Associates. Als de klant een minder dan perfecte credit score heeft, dan ken ik wel hypotheekverstrekkers die met minder dan perfect aan de slag willen. Ward kent wel wat trucs om die kredietscore te verbeteren. Dus om te zeggen dat het moeilijk is om een hypotheek te krijgen als je schulden hebt, nee, dat is het niet. Dickerson besloot te tekenen, kreeg een aflossingspercentage van 7,6 procent. Per maand moest hij 1.603 dollar aflossen, maar dat werd al snel 1.700 en toen zelfs 1.800. Exact evenveel als zijn uitkering. Doretta zei dat ze zich een damsteen op het bord voelde, zo werden we heen en weer geschoven. Drie maanden na ondertekening werd hij op straat gezet. Nu huurt het echtpaar voor 600 dollar een vervallen tweekamerwoning in een niet erg goede buurt. Elke avond wordt hier geschoten. Maar we moeten toch ergens wonen.
Dickerson heeft het hoorbaar moeilijk terwijl hij door zijn drie dozen met documentatie gaat. Ze hebben mijn huis afgepakt. Was ik maar nooit in aanmerking gekomen voor een hypotheek. Dan had ik me iets beter gevoeld.’


Laila Lalami
Hoop en andere gevaarlijke verlangens

Het lijkt erop dat veel Nederlanders en zo’n beetje de gehele Nederlandse politieke kaste maar twee soorten Marokkanen kennen: ‘kutmarokkanen’ of goedgeïntegreerde Marokkanen, zoals Aboutaleb, Khadija Arib, Ibrahim Affelay en de mensen van Shouf Shouf Habibi.
‘Hoop en andere gevaarlijke verlangens’, oorspronkelijk in het engels geschreven, is in dit opzicht, hoewel niet de eerste, een broodnodige en welkome correctie van dat starre beeld.

Het is de eerste roman van Laila Lalami (Rabat, 1970).
Ze woont en werkt in de Verenigde Staten, schrijft voor The Los Angeles Times, The Nation en The Independent en is redacteur van de literaire weblog www.moorishgirl.com
Zie ook www.lailalalami.com
In The Nation publiceerde ze een kritiek op Hirsi Ali omdat deze alle moslimvrouwen over één kam scheert en de oorzaak van hun achterstelling uitsluitend zoekt in de islam, niet in armoede en onderontwikkeling.

´Hoop en andere gevaarlijke verlangens´gaat over vier gewone mensen. We lezen in het begin een korte beschrijving van de illegale oversteek van Marokko naar Spanje. Vervolgens komen we te weten hoe ze leefden in Marokko vóór hun vertrek. En tenslotte worden we deelgenoot van de latere lotgevallen. Voor twee van hen spelen die zich af in Spanje, terwijl de twee anderen teruggedeporteerd zijn naar Marokko.
Halima is een analfabete vrouw die constant door haar drankzuchtige man wordt mishandeld.
Faten een fundamentalistische moslima, die later alleen in Spanje kan blijven door haar lichaam te verkopen.
Aziz is de ingenieur die zijn vrouw lange tijd achterlaat om in Spanje genoeg geld te verdienen om een eigen zaakje te beginnen. Hij werkt er als hulpkelner. Hij houdt zich aan zijn belofte terug te komen, maar moet eigenlijk direct weer terug naar Spanje. Snel geld verdienen is er niet bij.
En tenslotte Murad, die engels gestudeerd heeft en rondleidingen geeft (onder andere naar de kroegen waar Paul Bowles, de schrijver van The Sheltering Sky, ooit heeft gezeten). Na de oversteek wordt hij meteen opgepakt en teruggestuurd.

Hoewel het een niet al te dik boek is (160 pags), worden een aantal elementen van de omgeving van de vier min of meer terloops duidelijk aangegeven. Zo is Spanje bepaald niet het gehoopte paradijs. En het Marokko van -toen nog- koning Hassan blijkt verlammend corrupt te zijn. Geld en-of connecties zijn van levensbelang. Werkloosheid en armoede zijn er chronisch. In de loop van de tijd blijkt dat steeds meer vrouwen de hijab (hoofddoek) gaan dragen. Maar ook de moderne tijd doet onstuitbaar zijn intrede. Een vriend van Aziz moet stoppen met het verkopen van telefoonkaarten omdat veel mensen inmiddels een mobieltje hebben. En er komen ook steeds meer internetcafé´s.

Wat mij betreft hadden daarentegen de personages wel wat verder uitgewerkt mogen worden. Niet altijd wordt duidelijk vanuit welke motieven zij handelen.

Het meest sprekend vond ik de beschrijving van Murad wanneer hij weer terug is in Marokko. Hij werkt in een winkel waar hij een tapijt verkoopt aan twee Amerikaanse toeristes. Hij vertelt hen een prachtig oud verhaal waarin een tapijt een hoofdrol speelt. Daardoor realiseert hij zich weer dat hij zich de oude verhalen die zijn vader hem vroeger vertelde niet goed meer kan herinneren.
Daardoor besluit hij om niet meer te proberen de overstap naar Europa te maken, maar om zelf in Marokko verhalen te gaan schrijven.

Een aanrader.

Peter de Maan
Maart 2007

 

Mike Davis
Late Victorian Holocausts.
El Niño famines and the making of the Third World.

Mike Davis beschrijft de destructieve uitwerking van de 19e-eeuwse koloniale politiek in samenhang met ecologische en meteorologische ontwikkelingen. Hij voert de leek in nieuwe inzichten in de meteorologie in, aangaande grillige periodieke schommelingen in de tropische zone: de El Niño Southern Oscillation (ENSO). Hoge druk gebieden oscilleren boven de Pacific, wat resulteert in periodieke droogtes door uitblijvende moessons enerzijds en extreme regenval en tyfoons anderzijds, in uiteenlopende gebieden als Nordeste (Brazilië), Golf van Mexico, Zuid Afrika, Hoorn van Afrika, India, Australië en Noord China. Vooral in de 2e helft van de 19e eeuw werd een aantal gebieden, met name India en Nordeste, getroffen door een reeks extreme droogtes, die door falend beleid uitgroeide tot een hongersnood, die Davis als holocaust durft te kwalificeren. Zo’n 30 miljoen mensen vonden tussen 1870 en 1900 een aan hongersnood gerelateerde dood. Davis heeft een wetenschappelijk verantwoorde aanklacht geschreven : ‘The contemporary photographs used in this book are thus intended as accusations not illustrations'.

Davis heeft veel oog voor de politieke en sociale geschiedenis. Hij betoogt overtuigend dat de Indiase en Chinese maatschappelijke orde voor de kolonisatie zo was ingericht, dat de schade van ENSO werd opgevangen, o.a. door graanpakhuizen en irrigatiesystemen. Onder Brits koloniaal bestuur verdwenen de graanpakhuizen in India. Door de ontwikkeling van het spoorwegennet zou voedsel beter gedistribueerd kunnen worden en honger uitgebannen, volgens de liberaal economische propaganda. Het tegenovergestelde gebeurde echter: door droogte werden prijzen opgedreven, het graan uit de pakhuizen werd geëxporteerd naar de koopkrachtige vraag in Engeland waardoor zelfs in gebieden met voldoende regen het voedsel schaars en duur werd, met hongerdoden tot gevolg.
Symbool voor de arrogante Britse houding staat Lord Lytton (‘India’s Nero’, ook op de omslag te bewonderen). Naast het liberalisme werd hij net als veel andere upperclass Britten geïnspireerd door Malthus’ stellingen over bevolkingsgroei versus landbouwopbrengsten: de laatste zouden lineair groeien, de bevolking exponentieel. Conclusie van Lytton en vele andere kolonialen: als we die sloebers vandaag in leven houden door noodhulp, hebben ze morgen een nog groter voedselprobleem. Hij presteerde het derhalve om particuliere noodhulp, de in Engeland befaamde ‘charity’, te verbieden in het door honger geteisterde India.

Naast India is met name Nordeste een schoolvoorbeeld voor de afhankelijkheidsrelaties die de overgang van kolonialisme naar 3e wereld kenmerken. Met steun van Engeland hadden in Sao Paulo gevestigde kapitalisten Brazilië tot republiek uitgeroepen, los van moederland Portugal. In feite werd de economie overgedragen aan het Engelse bancaire systeem. Evenals in India werden investeringen alleen gedaan in op export gerichte takken, zoals vlees- en katoenproductie. Vooral de katoensector was zeer grillig, enerzijds door de periodieke extreme droogtes, anderzijds door ontwikkelingen op de wereldmarkt. Toen na de Amerikaanse burgeroorlog de katoenproductie in de VS weer op gang kwam, stortte de Braziliaanse markt volledig in. Een door schulden geplaagde en van exportgoederen afhankelijke economie is tot de dag van vandaag hèt kenmerk van 3e wereldlanden.

Wieger
14 februari 2007

 

Joris Luyendijk
‘Het zijn net mensen’
Uitgeverij Podium, 2006

Joris Luyendijk (1971) was van 1998 tot 2003 correspondent in het Midden-Oosten voor o.a. de Volkskrant, NRC Handelsblad, Radio 1 en het NOS journaal. Hij werd gekozen tot Journalist van het Jaar 2006.
Dit boek is een verslag van zijn journalistieke jaren en plaatst kritische kanttekeningen bij de manier waarop nieuws uit die regio gebracht wordt. Nieuws is wat afwijkt van het gewone, maar als alleen de afwijking getoond wordt, gaat men dat aanzien voor het alledaagse en komt dat alledaagse zélf niet meer aan bod. Hij schrijft vlot, met veel anekdotes en probeert duidelijk te maken dat het nagenoeg onmogelijk is om te weten wat er werkelijk speelt in dictaturen. Terwijl hij niet alleen de officiële lezingen braaf tot zich neemt, maar ook spreekt met ‘terroristen’, taxichauffeurs, slachtoffers en daders, kortom de ‘gewone mensen’.
Wat leven in een dictatuur inhoudt, laat zich niet beschrijven en nog minder in beelden vatten. En van hoeveel invloed woordkeus en vooral beelden zijn op nieuwsvorming, wordt duidelijk in het deel over de berichtgeving rondom Israël. Wat me opviel is het feit dat de Israëli’s veel slimmer zijn in het omgaan met communicatie: ze weten, in tegenstelling tot de Palestijnen, ontzettend goed dat het er niet alleen om gaat je verhaal te vertellen, maar veel meer om de verpakking van dat verhaal. Pas dan wordt wat je te zeggen hebt opgepikt door de media.
Dat geeft meteen aan dat de verwrongen beeldvorming niet alleen te maken heeft met het feit of je bericht vanuit een dictatuur of niet.
Ook de eisen van de redacties hier spelen een cruciale rol: zo is op tv alleen iets als nieuws te brengen wanneer het knallende beelden oplevert. De gewone onderdrukking en de bezetting van Palestijns gebied is op die manier bijna niet over het voetlicht te brengen.
Om aan te geven waar het in het boek over gaat citeer ik drie wat langere stukken.
Het eerste gaat over de begrippen die gebruikt worden. Het blijkt dat voor vergelijkbare situaties andere begrippen gebruikt worden naar gelang het gaat om Palestijnen dan wel Israëliërs. Daarin zit al een partijdigheid:

"Het begon al met de woorden die ik moest kiezen. In de Arabische wereld had ik al te maken gehad met partijdige taal: moslims die hun politieke overtuigingen baseren op hun geloof zijn ‘fundamentalisten’, een Amerikaanse presidentskandidaat die zo met zijn religie omgaat, heet in de meeste westerse media ‘evangelistisch’ of ‘diep gelovig’. Wint deze Amerikaan de verkiezingen, dan zegt bijna niemand dat het christendom ‘oprukt’, maar als moslims die hun politieke inspiratie uit de Koran halen hun zin krijgen, schrijft menige westerse commentator dat ‘de islam in opmars is’. Raakt een Arabische leider in conflict met een westerse regering, dan is hij ‘anti-westers’. Westerse regeringen zijn nooit ‘anti-Arabisch.’
In Cairo had ik heel wat voorbeelden verzameld, en in het Heilige Land groeide die lijst snel: Hamas is niet ‘anti-Israëlisch’, joodse kolonisten niet ‘anti-Palestijns’. Palestijnen die geweld gebruiken tegen Israëlische burgers zijn ‘terroristen’, Israëliërs die geweld gebruiken tegen Palestijnse burgers ‘haviken’ of ‘hardliners’. Israëlische politici die een geweldloze oplossing zoeken zijn ‘duiven’, hun Palestijnse tegenvoeters ‘gematigd’- implicerend dat alle Palestijnen fanatiekelingen zijn. Je zag de twee maten het best als je het omdraaide: ‘De gematigde jood Shimon Peres heeft met zijn anti-islamitische toespraak grote onrust gezaaid bij Palestijnse duiven.’

Zo kun je partijdig zijn, puur door op vergelijkbare zaken bij het ene kamp een ander etiket te plakken dan bij het andere kamp."

Het tweede citaat gaat over de ongelijkheid die erin sluipt wanneer je ervan uit gaat dat waar er twee vechten er dus ook twee schuld hebben. Dat was in Zuid-Afrika ook niet zo:

"Het nadeel van onredelijke kritiek is dat je doof wordt voor doordachte opmerkingen. Dat is althans mijn eerste verklaring voor het feit dat ik er bijna twee jaar over deed om de kritiek te begrijpen van de Israëlische vredesbeweging en een aantal andere voorvechters van de Palestijnse zaak. Hun kritiek op de media was niet dat bij hoor en wederhoor Palestijnse standpunten minder goed doorkwamen. Ze gingen een stap verder en bekritiseerden de onderliggende benadering van ‘waar twee vechten hebben twee schuld’. Volgens hen moest het conflict worden gecoverd zoals het apartheidsregime in de jaren tachtig in Zuid-Afrika. Daar werd nooit tegenover ieder zwart slachtoffer een blank slachtoffer van de terreur van het ANC gezet, en daar kreeg het apartheidsregime niet bij iedere controverse hetzelfde aantal minuten spreektijd als het ANC. Geweld moet je veroordelen, zeiden de vredesactivisten, en terrorisme helemaal. Maar als een militair oppermachtig volk een weerloos volk eronder houdt, moet dat gegeven centraal staan. Bij de apartheid werd toch ook niet gezegd dat waar zwart en blank vechten, beide schuld hadden?"

Het derde stuk vind ik zelf geweldig. Wanneer de joden moeten aangeven waarom ze doen wat ze doen hoeven ze maar één woord te gebruiken: 'holocaust.'
De Palestijnen hebben het wat dat betreft een stuk moeilijker: 'de kruistochten' en 'het westers kolonialisme' zijn niet meteen zaken die de meeste mensen hier in het westen op het puntje van hun stoel zetten. Daarom geeft Luyendijk een prachtige analogie:

"De handicap voor de Palestijnen is dat bij Nederlanders en de meeste westerlingen de kruistochten en de koloniale bezetting minder leven dan de holocaust, en ik merkte dat ik de Palestijnse kijk alleen kon overbrengen door omdraaiing: stel, in de Verenigde Staten wordt een gek de baas die alle mensen met een Friese grootmoeder laat oppakken en afmaken. Het wordt een moordpartij van ongekende omvang, en als het anti-Friese bewind eindelijk ten val komt, is duidelijk dat de Friese overlevenden niet meer in Amerika willen wonen. Dus komt er een plan: de Friezen krijgen een eigen staat, en wat is een logischer plek dan het land dat volgens oude teksten Fries is? Ondanks Nederlands verzet stemmen de Verenigde Naties met het plan in, en uit de hele wereld trekken mensen met een Friese grootouder richting de nieuwe Friese staat, royaal gesubsidieerd door Amerika. De overige Nederlanders protesteren: wij hadden toch nooit problemen met de Friezen? Maar in de internationale publieke opinie overheerst het medelijden met de Friezen. Er komt een voorstel: de helft van Nederland wordt Frisia, en in de andere helft kunnen de Nederlanders blijven wonen. De Nederlanders pikken dit niet, er komt oorlog die de Friezen met Amerikaanse hulp winnen, en een nog groter deel van Nederland valt in Friese handen. Miljoenen niet-Friese vluchtelingen overstromen de grote Nederlandse steden en de spanningen lopen op, vooral omdat kleine groepjes Nederlanders een guerrilla zijn begonnen tegen de Friezen. Terrorisme! roepen Friese voorlichters op CNN, they are killing innocent Frisians! Intussen vraagt het Nederlandse volk: wat hebben wij voor leiders? Er volgt een militaire coup, en als Nederland probeert in het buitenland wapens te kopen, verovert de jonge Friese staat met een ´preventieve aanval´ de rest van Nederland, plus stukken van Duitsland en België. Drommen niet-Friese Nederlanders vluchten de grens over naar Duitsland en België waar ook coups volgen: we moeten voorkomen dat de Friezen ons pakken! Intussen regeert het Friese leger met harde hand over de bezette Nederlandse provincies, wurgt de economie en confisqueert de mooiste stukjes voor nederzettingen en speciale wegen van die nederzettingen naar Frisia. Dan komt er een vredesproces en krijgt Nederland Limburg, een stukje Brabant en een Zeeuws eiland aangeboden.
Die brokjes mogen geen Nederland heten. Nederland mag geen leger hebben en alle grenzen worden bewaakt door Friese troepen."

In 2002 kreeg Luyendijk voor zijn werk het Gouden pennetje. Uit het juryrapport: ‘Luyendijk denkt, zoekt en schrijft met de onbevangenheid van iemand die nog geen kant heeft gekozen in een uitzichtloos conflict.’
Uit de bovenstaande citaten moge duidelijk worden dat Luyendijk wel degelijk partij kiest, alleen al door zijn voorbeelden.

Peter de Maan
16 januari 2007

 

Carl-Heinz Mallet
Die Leute von der Hafenstraße
Edition Nautilus, 2000

De Hafenstrasse is een gekraakt huizenblok in Hamburg, vlak aan de haven in de wijk St Pauli. Jarenlang ging de strijd om het voortbestaan van de woongroep voort; de overheid heeft zeker 10 maal gepoogd het huizenblok te ontruimen. De redenen die de overheid daarvoor aanvoerde liepen uiteen van de gebruikelijke bescherming van het eigendomsrecht tot de vermoedelijke aanwezigheid van RAF-verdachten (deze beschuldiging heeft men echter nooit waar kunnen maken). Door deze jarenlange strijd ontwikkelde de Hafenstrasse zich niet alleen tot het symbool van de Duitse kraakbeweging maar ook tot symbool van de strijd tussen het proletariaat en het establishment.
Auteur Karl-Heinz Mallet bezocht de Hafenstrasse ruim twee jaar regelmatig; in een periode waarin de ontwikkelingen rond het pand in een enigszins rustiger vaarwater terecht waren gekomen. Het resultaat van deze bezoekjes is dit boek. Mallet belicht vooral de manier van samenleven en richt zich minder op het hele politieke gebeuren; deze invalshoek maakt dit boek juist zo bijzonder. In het begin heeft Mallet moeite om echt in contact te komen met de bewoners maar gaandeweg ontstaat er toch een relatie die werkt. Naast bewoners spreekt Mallet ook buurtbewoners, politieagenten, en andere mensen die met de Hafenstrasse te maken hebben. Hoewel Mallet zich duidelijk aangetrokken voelt door de vrijheid die de bewoners hebben blijft hij toch redelijk kritisch staan tegenover alles wat er op hem afkomt; zijn blik als buitenstaander garandeert de afstand die nodig is om een goed beeld neer te zetten. Mallet’s beeld van de Hafenstrasse verwordt dan ook niet tot een utopie, maar zet de woongroep neer als een mogelijk alternatief voor de burgerlijke samenleving.

Wilko
19 december 2006

 

Roel van Duyn
De boodschap van een wijze kabouter.
Een kritische beschouwing over het filosofische werk van Peter Kropotkien in verband met de huidige keuze tussen katastrofe en kabouterstad.

Van Duyn houdt in dit boekje een pleidooi naar aanleiding van het werk van de anarchist Kropotkin. Hij geeft een korte samenvatting van het leven van Kropotkin en diens opvattingen, in het bijzonder diens filosofie van “wederkerige hulp”: onderlinge samenwerking (in tegenstelling tot onderlinge strijd) is de dominerende factor in de evolutie.
Deze visie stond in contrast met Darwin’s theorie van “survival of the fittest”: populair bij de negentiende eeuwse bourgeoisie als rechtvaardiging voor hun praktijken van uitbuiting, onderwerping en afslachting van proletariërs en kleurlingen. Kropotkin zag zich vanuit zijn polemische positie voor de noodzaak geplaatst tegenover zijn sociaaldarwinistische tijdgenoten , die verblind waren door de (noodzaak van) agressie, het koöperatieve gedrag te benadrukken. Van Duyn betoogt dat er ook een wederkerige relatie is tussen samenwerking en agressie die door het elkaar aanvullende karakter van deze polen een hoger koöperatieve functie heeft. De agressie vervult de afstotende functie die koöperatie dankzij zijn aantrekkende karakter niet kan vervullen en koöperatie kan door z’n organisatievermogen aan agressie een bijzondere kracht verlenen die die onvermengde agressie alleen dankzij z’n afstotende karakter niet krijgen kan. Zonder agressie zou een koöperatieve samenleving vervallen in apathie en stagnatie in ontwikkeling.
Verder zet Van Duyn zijn semi-dialektische theorie der cybernetica uiteen, gebaseerd op koppeling en tegenkoppeling. In de laatste tien pagina’s geeft hij een optimistische aanzet over hoe wij allemaal tegenkoppelende kultuurkabouters kunnen worden om de aanstaande (toen was het 1969) katastrofe af te wenden.
Na lezing ben ik nieuwsgierig geworden naar het bewuste werk van Kropotkin. Ik heb mij echter wel door het boekje (wel 96 pagina’s) heen moeten worstelen. Storend is dat Van Duyn zijn theorieën “ondersteunt” met voorbeelden uit de dieren- en mensenwereld (o.a. op volkerenniveau) die onvolledig (onjuist?) of erg generaliserend zijn, zoals “... Vrijheid, geen losbandigheid is het principe van de Semang-groep en het karakter van elk individu. Zij eten gezamenlijk en delen hun voedsel, diefstal is er absoluut onbekend” of: “Er is al een chimpansee met een IQ van 125 gevonden, voor een mens genoeg om de MULO mee te doen” (cursief van mij). Daarnaast is het boekje, ondanks alle voorbeelden, tamelijk abstract. Ik heb de belangrijkste boodschap van de kabouter in ieder geval wel meegekregen.

Tikoes
28 november 2006

 

‘Regels zijn regels; Paul Witteman in gesprek met Dorien Pessers over de daadkracht van Rita Verdonk.’

Een korte recensie bij een dun boekje.
Maar wel een belangwekkend boekje: ‘Regels zijn regels’ is de neerslag van een interview dat Paul Witteman op 21 mei 2006 in ‘Buitenhof’ had met Dorien Pessers, hoogleraar rechtstheorie aan de VU, plus een nawoord van Dorien Pessers.
Een geëmotioneerde maar ook scherpe Dorien Pessers gaat in op de ijzerenheinige stellingname van Verdonk in de kwestie van de nationaliteit van Hirsi Ali. Maar ook breder: ‘Dag in dag uit worden vluchtelingen in Nederland geconfronteerd met bestuurlijk wanbeleid en willekeur.’ Gesymboliseerd en afgedekt door de woorden en uitstraling van Verdonk: ‘Ik doe dit want ik kan niet anders’.
Je zou zeggen dat de stellingname ‘regels zijn regels’ een goede basis vormt voor een rechtvaardig rechtssysteem, willekeur wordt uitgesloten en rechtsgelijkheid zoveel mogelijk gegarandeerd.
Maar dat is alleen op het eerste gezicht zo. Regels en wetten moeten geduid worden naar hun strekking, naar de geest van de wet. En getoetst aan de beginselen van zorgvuldigheid, redelijkheid en billijkheid. Pas wanneer de afzonderlijke gevallen gelijk zijn kan uitgegaan worden van ‘regels zijn regels’, maar dat is bijna nooit het geval. De kern van ons rechtsstaatsidee is de bescherming van het individu.
En de opstelling van Verdonk ‘…want ik kan niet anders’ is onzin, aangezien een minister een behoorlijke beleidsvrijheid heeft.
Pessers is erg duidelijk over wat de mechanische wetstoepassing van Verdonk betekent: ‘Ons vreemdelingenbeleid zal later als een hele zwarte bladzij in onze geschiedenis geboekstaafd worden.’
In het Nawoord werkt Dorien Pessers een en ander theoretisch uit: de aanpak van Verdonk staat te boek als het wetspositivisme, legalisme of formalisme. Gegrondvest in de 19e eeuw, om er voor te zorgen dat de overheid zich zo weinig mogelijk met de gang van zaken in de maatschappij zou bemoeien. De aanpak is berucht geworden doordat ze de kern was van Hitler’s rechtsidee: de rechters moesten zich absoluut niet bezighouden met interpretatie van de wetten, maar die blind toepassen. ‘Een juridische slavenmoraal’, aldus Pessers.
Daar tegenover staat het natuurrechtidee: het recht mag alleen worden begrepen, verklaard en toegepast vanuit de fundamentele rechtsbeginselen, waarvan het beschermen van mensenrechten het eerste beginsel is.
Witteman verwijst naar enquêtes waaruit blijkt dat een groot deel van het Nederalndse volk achter Verdonk staat.
Het antwoord van Dorien Pessers is kort maar krachtig:
‘Ja, dat is heel onthullend. Heel onthullend en heel pijnlijk. Dat zijn waarschijnlijk – nu word ik wel heel erg gemeen, dat mag ook wel een keer misschien – de rancuneuze kleinburgers waaruit de VVD tegenwoordig voornamelijk bestaat. Die zelf waarschijnlijk al slachtoffer geworden zijn van ‘regel is regel.’

Peter de Maan
2 november 2006

 

Nicolaas Matsier
Het 48e uur

‘Nooit hebben twee mensen eender geoordeeld over dezelfde zaak, en twee precies gelijke opinies zul je niet tegenkomen, bij verschillende mensen net zo min als bij dezelfde mens op verschillende uren.’
Michel de Montaigne

In 2005 publiceerde Nicolaas Matsier zijn roman ‘Het 48e uur’.
De titel slaat op de 48 procesuren die ervoor staan om te beoordelen of een asielzoeker een kans maakt om in een ‘gewone’ asielprocedure erkend te worden als ‘echte’ asielzoeker.
De roman is chronologies opgebouwd: we doorlopen alle stappen die de asielzoeker ook dóór en/of mee moet maken, tijdens de 48 uur en de erop volgende rechtszaak: eerste gehoor, nader gehoor, voornemen, correcties en aanvullingen, beschikking, resumptie, beschikking 2, nabespreking beschikking, second opinion, nadere gronden, de zitting en de uitspraak.
Dat ‘dóórmaken’ is geen eufemisme: de ondervragers van de Immigratie en Naturalisatie Dienst gaan er van uit dat de asielzoeker per definitie zit te liegen en proberen hem of haar (in dit geval een hem, namelijk de Soedanese boerenzoon Moessa of Musa) op tegenstrijdigheden te pakken en klem te praten. Wat uiteraard als gevolg zou hebben dat de asielzoeker zo spoedig mogelijk het land moet verlaten.
Het moet voor een asielzoeker een horror zijn om die 48 uur mee te maken. Matsier heeft voor een prachtig literaire aanpak gekozen: we komen alleen maar te weten wie en wat de asielzoeker is door de antwoorden die hij geeft op de vragen van de marechaussee en IND. Verder krijgt hij geen identiteit. En dat is precies wat er in de werkelijkheid ook gebeurt. Niemand is in hem geïnteresseerd als vluchteling, alleen als object dat zo snel mogelijk weer verwijderd moet worden. Om het te zeggen met de woorden van Al Galil, die in 1988 Irak ontvluchtte en nu in Nederland is als uitgeprocedeerd asielzoeker:
‘Eigenlijk kan ik die wereld in één zin neerzetten: de toekomst van de asielzoeker in Nederland ligt niet in de politieke situatie in zijn vaderland, maar in de politieke situatie in Den Haag.’
Ook wanneer de ambtenaren wel open zouden staan voor het verhaal van de asielzoeker, is er nog het cultuurverschil: wij zijn als westerse mensen nu eenmaal vaak meer gewend aan vragenlijsten en enquêtes. Belangrijker is dat de vluchteling niet blanco tegenover de IND zit, maar een heftige geschiedenis van oorlog, terreur, uitbuiting achter de rug kan hebben. Dat praat niet zo gemakkelijk, zeker niet binnen een tijdspanne van 48 uur. Matsier laat een IND-ambtenaar vertellen dat hij een minderjarige AMA tegenover zich heeft gehad, die verkracht is. Volkomen dichtgeslagen. Wat betekent dat er niet bepaald kan worden of er sprake is van een terechte asielaanvraag, wat onverbiddelijk uitzetting tot gevolg heeft.
In de eerste helft van de roman krijgen we veel mee van de overpeinzingen en roerselen van de marechaussee- en IND-ambtenaren. Soms gaat de schrijver daar wel erg ver in, zoals wanneer hij een ambtenaar laat filosoferen over de ruimte die er op een formulier is om een handtekening te zetten. Maar naarmate de roman vordert komt er meer vaart in en wordt het ook spannend.
In de 48 uur zit ook 5 uur juridische bijstand. Degene die Musa eigenlijk moet bijstaan heeft er niet zo veel zin in en geeft het over aan een veteraan. Als lezer was ik al zover te denken: ‘die Musa maakt inderdaad geen schijn van kans.’ Daarom is het einde van het boek erg leerzaam: de beweringen van de IND, op grond waarvan Musa’s verzoek afgewezen zal gaan worden, worden door deze advocaat vakkundig gefileerd.
Een voorbeeld: de IND heeft Musa gevraagd wat voor kleur de stoelen hadden in het vliegtuig waarmee hij naar Nederland gekomen is. Dat heeft hij niet kunnen vertellen. Voor de IND duidelijk een teken dat hij zit te liegen. Maar de advocaat voert aan dat hij zelf niet eens weet wat voor kleur stoel de trams in Amsterdam hebben.
Ik zal niet verklappen of Musa na het betoog van de advocaat wel of niet mag blijven, maar kan wel zeggen dat dit een belangwekkend boek is.
Lezen!

Peter de Maan
Oktober 2006



Ryszard Kapuscinski
Imperium. Ondergang van een wereldrijk

De Poolse journalist en schrijver Ryszard Kapuscinski schrijft geweldig meeslepend en ‘Imperium’ is misschien wel zijn sterkste boek. Niet in de laatste plaats door het onderwerp: het begint met de Russische invasie in zijn geboorteplaats Pinsk aan de vooravond van de tweede wereldoorlog en eindigt met een rondreis langs de net geboren ex-Sovjetrepublieken in 1990. Hij weet de menselijke maat te vinden in de verpletterende wereldgeschiedenis die je voorstellingsvermogen in abstracto te boven gaat. Zo beschrijft hij hoe hij in Pinsk in een lange rij met talloze andere hongerende kinderen de hele nacht in de vrieskou stond te wachten voor de snoepwinkel, omdat het gerucht ging dat er snoep zou worden uitgedeeld. Er werden inderdaad snoepdoosjes uitgedeeld, alleen waren ze leeg. De teleurstelling, de ellende wordt voelbaar; de geur die uit de doosjes opsteeg brengt schrale troost.

Ook de gekte rond Stalin weet hij op onorthodoxe wijze voelbaar te maken. Hoe de enorme kathedraal van Moskou, gebouwd door meerdere generaties tsaren, wordt geplunderd en gesloopt voor een megalomaan bouwproject, dat vanwege de oorlog geen doorgang heeft gevonden. Hij vliegt naar de poolcirkel, naar de voormalige Goelagkampen bij Vorkoeta en Kolyma, op bezoek bij mijnwerkers. De ellende is zonder kampen vanwege het extreme klimaat al enorm. Als in de zomermaand de permafrost een beetje wijkt, ontstaan er modderstromen die de huizen bedreigen. De huizen zakken elk jaar weer wat verder in de blubber voordat de grond weer een jaar bevriest.

Zijn reizen door de zuidflank van het imperium maakten de meeste indruk op me. Hij maakt een hachelijk avontuur mee, door als nep-piloot Nagorno Karabach binnen te sluipen ten tijde van de oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan. De desintegratie van het Russische soviet imperium gaat gepaard met veel geweld. Belangen in olie en katoen helpen dictators in het zadel die als een soort koning van de nieuwe natie de scepter zwaaien.

Imperium is een zeer onderhoudend boek, dat je raakt.

Wieger
september 2006

Boekhandel Rosa, Folkingedwarsstraat 16A Groningen - dinsdag t/m zaterdag 12:00 - 17:00 u.